Piraeus – Haven uit de oudheid

Piraeus, de havenstad van Athene, is de grootste haven van Griekenland, en op weg een strategisch heel belangrijke haven in Europa te worden. Sinds de haven in 2002 gedeeltelijk, en later grotendeels in handen kwam van het Chinese containerbedrijf Cosco, wordt er veel geïnvesteerd in terminals, infrastructuur en toerisme.

Rond 1300 voor de jaartelling vestigden zich al mensen op het schiereiland Piraeus. De bouw van de stad en de haven van Piraeus, rond 500 voor de jaartelling, waren vooral het werk van de staatsman en maritieme strateeg Themistocles. Hij overtuigde de Atheense regering ervan dat Piraeus – de naam betekent veerhaven – ommuurd moest worden en dat men een vloot moest bouwen, om zich tegen de groeiende macht van de Perzen te kunnen verweren. In een binnenhaven, die nu Zea heet, werden scheepswerven en loodsen aangelegd om er tweehonderd triremen te bouwen, grote boten met drie rijen roeiers en een zeil. Tijdens de zeeslag in 480 voor Christus, in de Straat van Salamis, tegenover Piraeus, wisten de Grieken de veel talrijker Perzen te verslaan. Daarna bloeide de haven, zowel militair als commercieel. Overal in het Middellandse Zeegebied vestigden Athene en andere Griekse stadstaten handelsposten en koloniën.

Met de overheersing van Griekenland door de Macedonische vorsten Philippus II en zijn zoon Alexander de Grote, rond 320 voor de jaartelling, ging de haven achteruit. In 150 voor Christus werd de haven onderdeel van het Romeinse rijk. De Romeinse overheersers lieten in 176 van onze jaartelling bij de ingang van de haven een groot marmeren beeld neerzetten van een leeuw, waarna de haven Porto Leone werd genoemd. Die leeuw is later naar Venetië overgebracht en werd het symbool van die stad.

Tijdens de volksverhuizingen in de middeleeuwen en daarna werd Piraeus geregeld binnengevallen door Goten, Franken, Catalanen en Venetianen. Vanaf 1456 kwam Griekenland, en dus ook Piraeus, onder Turkse overheersing. Dat duurde tot 1832, toen Griekenland weer onafhankelijk werd.

Vanaf die tijd nam het belang van Piraeus als haven weer toe. De scheepvaart groeide, er kwamen kaden, pieren, straatwegen, een treinverbinding, scheepswerven – zoals de Vassiliadis-werf in 1860 die er nog steeds is, kranen, baggermolens, een marineschool. Door de aanleg van het Kanaal van Korinthe in 1893, dwars door het schierieland Peloponnesus, nam het scheepsverkeer naar en van Piraeus verder toe. Maar aan het eind van de twintigste eeuw bleek het kanaal te klein te zijn voor grote containerschepen en te gevaarlijk, vanwege valwinden, voor kleine bootjes.

In de Tweede Wereldoorlog bliezen de Duitsers de haven van Piraeus op; het zou tien jaar duren voor hij weer hersteld was. Griekse reders verwierven een gigantische vloot van veerboten en koopvaardijschepen. Tegen de twintig miljoen passagiers vertrekken jaarlijks op veerboten vanuit Piraeus.

In Griekenland, met zijn meer dan duizend eilanden, zijn toerisme en scheepvaart heel belangrijk. De Griekse koopvaardijvloot is de grootste van de wereld.